Hond


‘Wat denk je dat dit is?’ vraagt Lee, mijn Vietnamese kitesurf-instructeur. We zitten op een afgeladen markt in Phan Thiet, de derde stad van het land. Het is avond, uurtje of negen, en morgen is het nieuwjaar. Of zoals zij het noemen: Tet. Je weet wel, van het Tet-offensief. Een happening waar het hele land een week voor tot stilstand komt; niemand werkt, niemand kookt, niemand winkelt, dus dat moet allemaal in de dagen voorafgaand aan het feest geregeld worden, want er wordt natuurlijk wel gegeten. Heel veel gegeten.

    ‘Kip,’ antwoord ik, terwijl ik in het tweede stukje bijt. Het heeft een sponzige structuur, als de binnenkant van een knakworstje, maar smaakt naar frikandel. Ik doop hem in de chilisaus, wie weet wordt het daar lekker van. In het plastic bakje voor ons liggen verschillende spiesjes, ieder met vier stukjes vlees er op. Ze zijn zojuist gebakken in kledder olie van bedenkelijke kleur. Wat fijn is, want het vlees lag uitgestald onder een glazen vitrine in een karretje op straat dat daar de hele dag al gestaan heeft.

    ‘En deze?’ Hij geeft me een volgend stokje aan; het spelletje pleziert hem. Ik leg de rest van de kip terug, waarop hij hem meteen soldaat maakt, en bijt in de nieuwe.

    ‘Varken.’ Hij lacht, steekt zijn tong naar me uit. Het vermoeden dat dit zijn idee van een date is, wordt hoe langer hoe moeilijker te negeren. Vietnamese romantiek: eerst hebben we ons met halsbrekende toeren, ik op mijn brommertje, hij op een scooter waarvan alles behalve de motor kapot is, door een massa van, pak hem beet, een miljoen gelijkgestemde marktgangers op tweewielige voertuigen gewurmd en nu zitten we tussen muren van kitsch in alle kleuren van de regenboog, schreeuwend om het geluid van honderden toeters de overstemmen aan een maagzuur-opwekkende maaltijd.

    Ik leg het varken neer en probeer een van de grijze bolletjes. Lee steekt hem ook net in z’n mond. Ineens gaat zijn enthousiast kauwen over in slow-motion, hij kijkt me aan uit zijn ooghoeken; een blik van verdenking.

    ‘Hond,’ stel ik vast. Nooit eerder heb ik dat gegeten, maar het smaakt zoals het ruikt. Kan niet missen.

    ‘Getverdemme,’ zegt Lee en werpt een ontstemde blik op de verkoper: ‘Die komt zeker uit het noorden: rare lui daar.’ Hij legt het stokje weg en zegt, ‘kom we gaan naar huis,’ met een autoriteit die mannen in dit soort landen nog vanzelfsprekend achten. Onderweg terug naar onze rustige badplaats vraag ik me af hoe ik aardig kan zeggen dat ik naar mijn hotel ga. Alleen. Maar eenmaal daar blijkt dat niet nodig. ‘Sorry,’ mompelt hij, ‘ ik voel me niet lekker.’ Slapjes hangt hij over het stuur van zijn scooter, een boer ontsnapt hem.